5. Steenplaatsen in Haastrecht

 

Rob Anders

Steenplaats: De plek, waar de steenoven stond en de opslag van klei of de voorraad gebakken stenen.

zware arbeid!

Steenplaatsen langs de IJssel uniek
In de Hollandse IJssel is de klei het bezinksel van het door de Rijn meegevoerde lichtere deeltjes.
Grond en rivierzand bezinkt al eerder (b.v Limburg). Grovere deeltjes blijven in Gelderland liggen.
Het bezinken van de slib werd versneld door het aanbrengen van rietkragen. De klei werd in het begin uit de uiterwaarden gehaald. Later werd de slib uit de rivier gebaggerd. Dit zorgde er tevens voor, dat de rivier goed bevaarbaar bleef, hetgeen het transport van de stenen veiligstelde.

In tegenstelling tot veel andere plaatsen in Nederland werd langs de Hollandse IJssel gebruik gemaakt van het slib, dat bezonk bij hun ovens. Elders werd vaak de aanwezige klei gebruikt, die beschikbaar was in de uiterwaard en na het afgraven werd de steenplaats verplaatst.
Tussen Oudewater en Nieuwerkerk aan de IJssel bleven de steenplaatsen vaak 400 jaar lang op dezelfde plek in bedrijf. De aanwezigheid van voldoende brandstof in de directe omgeving was ook een voorwaarde om te kunnen produceren. Voor Haastrecht was dat de turf, die in ruime mate aanwezig was in Reeuwijk, Nieuwkoop en Vinkeveen.


Baggeren van de klei en vervoer.

Ligging van de steenplaatsen
Tot in de negentiende eeuw was de IJssel de eigendomsgrens van veel leenheren of van boeren, die de exploitatie van de steenplaatsen koppelden aan het werk op de boerderij, waardoor de op het erf wonende knechten en hun gezinnen werden ingezet.
De inzet van vrouwen en ook van heel jonge kinderen (vanaf 3 jaar) werd geaccepteerd omdat er geen andere manier was om anders aan voldoende voedsel en/of onderdak te komen. Hetzelfde gebeurde immers ook op andere arbeidsintensieve plaatsen zoals de touwspinnerijen en de leerlooierijen.
Later, in de 17de eeuw, toen bleek dat er met steenbakkerijen geld te verdienen viel,  meldden zich stedelijke ondernemers die er vaak rijk van werden. Wat bescheiden begon, min of meer als nevenactiviteit van enkele boeren, groeide al snel uit tot een grootschalige industriële bedrijvigheid. De baksteenproductie vroeg natuurlijk ook om diensten en hulpmiddelen. Scheepvaart was heel belangrijk, aanvoer van zand en brandstoffen en vervoer van het eindproduct. Rietmatten voor het beschermen van het ongebakken product waren eveneens belangrijk.

Van klei tot IJsselsteen
Het gewonnen slib had twee winters nodig om te besterven, dat hield in, dat de organisch deeltjes afstierven en hiermee voorkwam men, dat er tijdens het bakproces luchtbelletjes ontstonden, die het risico op breuk vergroten. Iedere steenplaats had minimaal twee zaadhellingen, die om en om werden gevuld en afgegraven.
IJsselsteentjes zijn relatief kleine bakstenen (18x9x4,5 cm.) en door de kalkhoudende klei geelbakkend van kleur. Doordat de klei waaruit de steen gevormd werd nogal nat was moest er voor dit kleine formaat gekozen worden. Klein betekende immers sneller en beter te drogen alvorens in de oven opgestapeld te worden. Alleen in de periode april t/m september kon gewerkt worden.

drogen der stenen.

“Aardemakers” kneedden met handen en voeten het bestorven slib, vermengd met zand, tot een soepele massa, die op de steenplaats in een houten steenvorm werden geperst. Deze steenvorm bevatte acht zogenaamde vormelingen of groenlingen. Door ze bestrooien met zand konden zo later gemakkelijke uit de vormen worden gehaald.

Op een gladgestreken plakveld  keerde de “plakker” de steenvorm om. De afmetingen van de vormelingen was op dat moment 18,5x9x6 centimeter groot.
Na voldoende hard te zijn geworden werden deze opzetters op de smalle kant gezet Dit werd gedaan op de zogenaamde tasvelden en dit was het werk van vrouwen,kinderen en kleuters(!).
Door de stenen regelmatig te keren behielden zij hun vorm en droogden zij sneller.
Na voldoende droging werden zij gestapeld en konden verder drogen tot in de kern. Eerder bakken resulteerde in barsten van de stenen tijdens het bakken. De verse, ongebakken stenen moesten eerst goed drogen, niet te snel en tijdens het droogproces ook niet natregenen of bevriezen. De droogbanen werden d.m.v. rietmatten “beveiligd”. Het drogen duurt bij gunstige weersomstandigheden twee à drie weken.

het tasveld.

Het Bakproces
Het bakken gebeurde in veldovens. Deze (Hollandse) ovens werden vaak half in de dijk gebouwd. Tussen de stapels stenen werden vuurgangen uitgespaard. De zijkanten van de ovens werden dichtgesmeerd met klei, de bovenkant met klei, plaggen en puin. Latere ovens waren voorzien van gemetselde zijwanden. Deze bakmethode geeft een grote variatie in kwaliteit (hardheid) en veel afval. Dit laatste werd gebruikt voor verharding en versteviging van de dijken.

Als de rauwe stenen voldoende gedroogd waren werden zij in de oven op hun lange smalle kant opgestapeld, waarbij de vuurmonden en gangen vrijgelaten werden. Kwam de stapel stenen op schouderhoogte, dan werden er planken opgelegd en de stenen (8 tegelijk) opgegooid naar de stapelaar.

Vullen van de oven.

De vuurgangen bevonden zich ongeveer 1,5 meter van elkaar en gaven de mogelijkheid om via de vuurmonden turf in die vuurgangen te werpen. Stoken gebeurde alleen overdag.
De eerste tien tot twintig dagen werd er gestookt rond de 500 graden (witstoken), dit was nodig om het laatste vocht weg te krijgen. Witstoken kwam van het feit, dat er veel stoom ontsnapte. Daarna begon het “krimpstoken”. Gedurende veertien dagen werd er gestookt rond de 1000 graden. Was er vraag naar harde stenen, bv voor buitenmuren en funderingen, dan werd er een week extra gestookt.
De specifieke gele kleur werd verkregen door op het laatst de oven vol te gooien met turf en de stookgaten hermetisch af te sluiten. De turf vloog daardoor niet in brand (weinig zuurstof) maar ging door de hitte vergassen.
Na het bakproces waren de stenen gekrompen tot 16×7.7×4.7 cm en voor klinkers tot 13×6.5×3.5 cm.
Om te kijken of deze maten kloppen, kunt u ze nameten in de Kerkstraat te Haastrecht. Gewone gele IJsselsteentjes vind u in de gevels van Kerkstraat 5-7, de steentjes met “appelbloesemkleur” in de zijgevel van pand Hoogstraat 89. Deze steentjes zijn ook in trek bij vogels. De zachte stenen worden leeggepikt en gebruikt tijdens het bouwen van nesten.
De klinkers kunt u ook vinden in de Kerstraat. Zij liggen onder meer in tegen de zijgevel van pand Hoogstraat 89.

  bouwmateriaal voor vogelnestjes.

IJsselsteentjes in de muur, klinkertjes in de straat.

Per bakproces werd gemiddeld per oven 1.000.000 stenen gebakken. Er wordt beweerd dat in de glorietijd de jaarproductie van de steenplaatsen langs de Hollandse IJssel zo’n 150.000.000 stenen bedroeg.

Gebruik van de IJsselstenen. 
In de middeleeuwen waren woonhuizen van hout en riet gebouwd. Kastelen, kloosters en kerken waren uit baksteen opgetrokken. Baksteen als bouwmateriaal brak definitief door na enkele grote stadsbranden. Gemeentebesturen stimuleerden daarna het bouwen in baksteen. Ook bij de aanleg, uitbreiding en herstel van de dikke stadsmuren waren enorme aantallen stenen nodig.
Na de kerkbrand van 1552 als gevolg van blikseminslag in de Sint Jan in Gouda werden 13.000 stenen voor 20 stuyvers per 1000 bij de steenplaats van ene “Cornelus” te Haastrecht besteld.
Wereldwijd kunt U ook IJsselsteentjes aantreffen. V.O.C.- schepen namen nl. ladingen stenen mee als ballast, op de plaats van bestemming aangekomen werden deze gebruikt bij de bouw van handelsvestigingen en versterkingen.

Opkomst en ondergang van steenplaatsen in Haastrecht 
In 1514 waren er tijdens de gehouden Informacie in de Steede en Landen van Haastrecht 8 steenplaatsen vermeld en in 1650 twaalf steenplaatsen. In 1734 is daar nog slechts één van over. Wat is er gebeurd? U herinnert zich vast nog wel het jaartal 1672 (radeloos, redeloos, reddeloos), kortom het rampjaar. De toenmalige in Haastrecht gelegen militie, die de Fransen moest tegenhouden, gebruikte het materiaal van de steenplaatsen om barrières op te werpen waardoor er maar 1 steenplaats overbleef. In 1749 lezen we over de nijverheid in Haastrecht “de voornaamste activiteiten zijn handel in hennep, zeildoek en kaas. Men heeft er ook looyerijen en lijnbanen. Steenplaatsen geven nog slechts aan enkele handen werk”.

Jarenlang kon worden voldaan aan de kwantiteits- en kwaliteitseisen. Er was klei genoeg en ook de aanvoer van laagveenturf was gewaarborgd. Er was echter een aspect, dat rond 1900 de ondergang inluidde: de IJsselsteentjes waren klein en de laagveenturf produceerde niet voldoende hitte om goede klinkers (extra hard gebakken stenen) te kunnen produceren waar behoefte aan was i.v.m. de aanleg van wegen, schoorstenen en funderingen, waar klinkers voor gebruikt werden. Om heter te kunnen stoken was hoogveenturf uit het noorden van het land, nodig. De transportkosten waren echter te hoog om concurrerend te kunnen zijn.

Niet alleen langs de Hollandse IJssel werden stenen gebakken maar ook langs andere rivieren zoals de Oude Rijn en de Vecht. Deze stenen hadden een andere kleur en werden in een ander formaat gebakken. Deze roodbakkende stenen werden veelal naar Amsterdam en noordelijk Nederland vervoerd, de gele IJsselstenen veroverden zuidwest Nederland. In de 17de eeuw ontstond er nog een nieuwe markt n.l. de verharding van zand- en kleiwegen met klinkers.
Waalformaat stenen, die groter waren en dus sneller te verwerken, genoten steeds meer de voorkeur en ook dumppartijen stenen uit België versnelden de sluiting van veel steenbakkerijen in onze omgeving.

Over het hele gebied liep de productie van IJsselstenen terug. Het slib raakte vervuild en de kwaliteit werd minder. Toen begin 20ste eeuw nieuwe bouwvoorschriften van kracht werden en hogere eisen gesteld werden aan de dikte van muren was het met de kleine IJsselstenen gedaan. Het grote “Waalformaat” voldeed aan de nieuwe eisen.
In het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw stopte de laatste steenoven in de Krimpenerwaard (Gouderak) met de productie. Wie nu nog een partij IJsselstenen wil bemachtigen komt terecht bij de handel in oude bouwmaterialen en zal diep in de buidel moeten tasten.

Overzicht van steenplaatsen in Haastrecht
Gansenburgh: 1649 – 1758
Clara de Vrije, eigenares van de boerderij in de jaren 1730/1740 en weduwe van Johannes Kip, was eerder weduwe geweest van een man wiens achternaam Gansenburgh luidde. De huisnaam Gansenburgh op de twee hekpijlers van de boerderij is dus niets anders dan de familienaam van vroegere eigenaars. Waarom die zo´n buitenproportioneel naambordje voor hun boerderij lieten plaatsen, heeft een simpele verklaring: het was het naambord van een bedrijf, namelijk de steenfabriek Gansenburgh. De boerderij Gansenburgh is tot aan het midden van de achttiende eeuw, behalve een landbouwbedrijf, ook een steenplaats geweest waar ´s zomers op het buitendijkse land langs de IJssel, de plek waar nu het klooster staat, stenen werden gebakken. En omdat dat stenen bakken op meer plaatsen tussen Gouda en Oudewater gebeurde heeft de Goudse ondernemer Lambertus Gansenburgh geprobeerd zich flink te onderscheiden van zijn concurrenten. Bij Stolwijkersluis, op de plek waar nu de rotonde ligt, bevond zich ook al een steenplaats die Swanenburgh heette. En tussen die twee lagen nog zeker zeven andere steenplaatsen.
Er hebben drie generaties Gansenburgh de boerderij in gebruik gehad als steenplaats. Tegelijkertijd mocht in het achterhuis steeds een pachtboer zich met landbouwactiviteiten bezighouden. Het grote, langwerpige voorhuis, vermoedelijk gebouwd in de periode 1690 – 1700 in opdracht van de tweede generatie Gansenburgh (Lambertus), fungeerde daarbij als ‘directiekantoor’, maar waarschijnlijk tevens ´s zomers als buitenverblijf voor de familie. Het andere woonadres was een grachtenpand aan de Oosthaven in Gouda. De Gansenburghs hielden zich ook bezig met turfproductie in Reeuwijk. Een deel van het plassengebied is te danken aan hun veenderijactiviteiten. Mogelijk gebruikten zij die turf voor de ovens van hun Haastrechtse steenplaats.

Uit de archieven

Jaar Eigenaar Gebeurtenis
1610 Steenplaats Wed. Cornelis Dammasz. Jan van Buyren Aert Cornelisz. die zich partij stelt in het proces gevoerd tussen zijn moeder en waardslieden van Bergambacht over zijn steenplaats gelegen onder Haastrecht bewesten van de Bergvliet en het gebruik van de oevers van de vliet. z.d. (ca. 1610)
1614 Cornelis Cornelisz. Amouroux Steenbakker verkoopt stenen
1622 Cornelis Cornelisz den Ouden Amoureus Bij een volkstelling te Haastrecht in 1622 door landbewaarders woonde Cornelis Cornelisz. Den Ouden Amoureus op een Hofsteenplaats
1629 Laurens Crom Heeft daervoren leggende een steenplaetse, met twee ovens, loodsen ende huysjen daerop staande tsamen vrijgeltin jaarlijcx gebruyck getaxeerd op 50:-:-.
1629 Steenplaats Wed. Cornelis Dammasz. Jan van Buyren

In 1629 worden naast de steenplaetse in de polders Rosendael, Honart en Cleijn Ceulevaert 6 steenplaatsen genoemd in Beneden Haastrecht welke in bedrijf zijn: Stijntjen Henbeecks met 2 ovens, Bartholomeus Coenraetsz. met 2 ovens, Wed. en kinderen van Mr. Pieter Hensbeeck met ovens, Marritgen Vermeulen met ovens, Marritgen Jan Buyrs met ovens en Dirck Reijnierts de Swaen met 2 ovens.

 

1629 Cornelis Claesz van Erckel Ze is 3 honden land groot, heeft 2 ovens, loodsen en een huisje. Dit poldertje Honaert bestaat geheel uit buitendijks land. Er gaan verhalen, dat de Steenplaats gelegen heeft op het terrein achter het tegenwoordige klooster. Ze was in bezit geweest van J. C. van Vliet, de al eerder genoemde steenfabrikant te Gouderak. Ofwel deze had hier een zelling met Steenplaats, ofwel hij had de zelling aangekocht van een stilgelegde Steenplaats, zoals in latere tijd ook door andere steenbakkers gedaan werd.
1629 Steenplaats Jan Aertsz. De Steenplaats besloeg twee honden land (één hond is 100 roeden, zes hond is één Rijnlandse morgen) met een oven, twee loodsen en een huisje. Op een kaart van Rosendaal van 1669 wordt een Steenplaats ingetekend. Ze ligt aan de IJsselkant van de dijk tegenover het 3e huis vanaf de Boezem. Hier lag de steenoven dus buitendijks, wat een uitzondering is. Maar hier ter plaatse is de uiterwaard dan ook uitzonderlijk breed.
1629

Weduwe Marritjen Gerrit Tromperts met 2 ovens,   Weduwe van Leentjen Claesz. met vervallen steenplaats en

Cornelis Jacobz. Cincq met twee ovens.

1631-1645 Pieter Cornelisz. Amoureus Was van 1642 tot 1644 schepen van Haastrecht. Overlijd in 1645
1632 Steenplaats Wed. Dammasz. Jan van Buyren Marrigtjen Aertsdr. Weduwe van Cornelis Dammaesz. Jan van Buyren, oudste zoon: Aert Cornelisz.
1635 Laurens Crom Op 4 juli erkent Dirk Frederiks Hamel een bedrag schuldig te zijn aan Laurens Crom steenbacker te Haastrecht ter saecke van geleverde steen voor verscheiden wercken onder de stadt Orsoy
1655-1659 Carnelis Cornelisz. De Jonge Amoreus Koopt in 1655 erfdeel van de kinderen van Pieter Cornelisz. Steenbakker in Schiedam en Haastrecht in de polder Galligoord en overlijdt in 1659 te Schiedam
1663 Pieter Amoureus Wordt genoemd, verder geen beschrijving.
1672 Ten tijde van de Franse inval worden de steenplaatsen zwaar beschadigd. De meeste ovens worden nagenoeg tot de grond gelijkgemaakt. Daarmee was de steenfabrikage in Haastrecht een slag toegebracht, welke ze nooit meer te boven gekomen is. De schade beliep 118.553.9.

 

Bronnen:
http://www.encyclopedie-grofkeramiek.nl
Olifant + de dames Bloot  (zie de boekbespreking)
Historische Vereniging Golderake